Vandaag is het
Gedichtendag. Ik ga niet pretenderen dat ik een enorme poëziekenner ben, want dat is niet zo. Mijn kennis is hooguit rudimentair, wat ik nog heb overgehouden van het Atheneum en een paar Spaanse gedichten tijdens mijn studie. Soms treffen gedichten me met op razend knappe wijze in taal gevangen gebeurtenissen of gevoelens. Zo zag ik een keer op tv
Hagar Peeters, die me bijna tot tranen roerde. Alleen heb ik dat gedicht nooit meer kunnen terugvinden. Of het gedicht dat
H.H. ter Balkt schreef voor zijn buurvrouw, die toevallig mijn collega was. Of het gedicht dat
Johan Faber schreef voor zijn aanstaande, die dan weer een vriendin van mij is.
Voor gedichtendag, een ander gedicht, mooi in zijn eenvoud en verhaal, van
Edward van de Vendel.
IK BEN DE JONGEN

Ik ben de jongen die niet kan
voetballen, of tenminste niet
zo goed. Ik weet wel hoe het
moet, maar mijn lichaam doet
iets anders. Ik heb een lijf met
eigenwijze trekjes, twee benen
met een grote bek die zich
heus niet laat trainen. Ze doen
maar wat, ze tackelen mezelf.
Ik ben een elftal in mijn
eentje,
zoveel kanten ga ik op. Alleen
door mijn verschijning ben ik
al
een strafschop waard, ik kijk
en krijg twee rode kaarten.
Alle witte lijnen wijken weg
van mij. Ik ken het gras, dat
is dan nog het enige. Maar
veel te goed. En van dichtbij.
---------------------
uit: 'Dicht!', 2009.